Woensdag museumdag, dus vandaag weer op pad. Ik las ergens over de schitterende collectie een van de grootste kenners van 'moderne kunst' rond de eeuwwisseling, Dr. Bredius. Daarom ben ik vandaag het aan hem gewijde museum op de Lange Vijverberg nummer 14 gaan kijken. Daarvoor eerst een bezoek gebracht aan de daar schuin tegenover gelegen kunstgalerij van onze laatste stadhouder, Willem V. Het werd dus een echt Haags Herendagje, de gehele dag gedompeld in stemmig grijs; ik snak naar het voorjaar.
De kunstgalerij van Willem V is helemaal volgens de principes van die tijd opgebouwd; de wanden van het pand dat pal naast de oude gevangenispoort is gelegen op de kop van de Hofvijver en was de eerste openbare kunstcollectie van Nederland! (geopend in 1774). De wanden van de enige etage die voor bezichtiging is opengesteld zijn helemaal volgestouwd met schilderijen. Een collectie diende vooral ook om te imponeren en er de rijkdom van de eigenaar uit af te leiden. In de collectie zitten alleen al een stuk of vijf Jan Steens. Zo boven op elkaar spraken die doeken me minder aan; wij hebben het wel eens over een tijdvak waarin we overspoeld worden met beelden; maar wie hier op bezoek is raakt ook binnen de kortste keren helemaal overvoerd.
Maar het eigenlijk doel was dus de collectie van Dr. Abraham Bredius (1855-1946). Onbetwiste kunstkenner en adviseur van alle belangrijke mecenassen in zijn tijd. Blunderde trouwens wel vlak voor de tweede wereldoorlog om de door directeur Hannema van museum Boijmans aangedragen ontdekkingen van schilderijen van Vermeer (Het Laatste Avondmaal, De Emmausgangers) als echt te betitelen. (het bleken door Van Meegeren bedachte en geschilderde ideeeën in de stijl van Vermeer).
In tegenstelling tot de galerij van Willem V zijn hier de schilderijen (waaronder een echte Rembrandt) (zie bijgaand)
heel netjes opgehangen in de mooie kamers van dit sjieke herenhuis dat in 1990 door de gemeente Den Haag werd aangekocht en dus niet de originele woning van Bredius is.
Naast dit schilderij van Rembrandt ook een aantal tekeningen van hem, en wederom enkele Jan Steens waaronder het bijzondere "De huwelijksnacht van Tobias en Sara".
Een schilderij met een verhaal. Het is nl. altijd maar voor de helft in het bezit van Bredius geweest (de engel), het deel met het bruidspaar er op was in het bezit van Goudstikker, de kunsthandelaar. Na de oorlog zijn de twee delen weer samengevoegd tot één schilderij. Maar toen de erven Goudstikker het schilderij opeisten gaf de rechter hen gelijk. Er waren nu 2 oplossingen denkbaar: of verkoop van het deel van de gemeente Den Haag (de engel) aan Goudstikker, of aankoop van het deel met het paar (dat veel duurder was) door de gemeente Den Haag. Voor dat laatste was geen geld en tegen de eerste oplossing protesteerden de nazaten van Bredius. Die patstelling sleepte lang voort totdat via het Mondriaanfonds, de Vereniging Rembrandt en particulieren het benodigde miljoen uiteindelijk toch bij elkaar kwam. Uiteindelijk bleef het schilderij daarmee in de collectie Bredius en heb ik het in zijn volledigheid kunnen aanschouwen. De schilderijen zijn zonder uitzondering allemaal voortreffelijk. En alleen al door de presentatie veel beter te genieten dan de collectie van Willem V. Maar dat komt natuurlijk ook omdat Willem V waarschijnlijk in het wild maar raak kocht en Bredius met zijn geoefende oog alleen het allerbeste aanschafte. Hoe dan ook, de collectie in het Brediusmuseum is prachtig.
Na al dat geslenter wilde ik nog even uit gaan rusten op de tribune van de tweede kamer; tijdens een saai debatje over kinderzorg sukkelde ik in slaap. Een suppoost kwam me aanstoten; "het is niet de bedoeling dat u enkele treden op de publieke tribune omlaag dondert, meneer". Enigszins beschaamd aanvaardde deze heer de thuisreis.
Totaal aantal pageviews
woensdag 10 april 2013
maandag 8 april 2013
Een waardeloze ontvangst van buurtbewoners in de Kunsthal
Als buurtbewoners waren we uitgenodigd om op bezoek te komen
bij Boijmans en bij de Kunsthal. Ik koos de laatste omdat ik daar alweer een
tijdje niet geweest ben. Wie schetst mijn, en naar ik om mij heen hoorde, niet
alleen mijn verbazing toen ik aan de ingang een kaartje in mijn hand gedrukt
kreeg en het verder zelf maar moest uitzoeken. Nu kan ik dat als doorgewinterde
museumbezoeker echt wel maar daarvoor was ik niet gekomen. Ik had gerekend op
een drankje (misschien zelfs een bescheiden hapje om 18.00 uur toch niet
helemaal onlogisch?) en een leuke, vlotte verwelkoming door de directeur of
iemand namens de directie. Maar niks, helemaal niks van dat al. Ach ja, we zijn
maar buurtbewoners niet waar, daar moet je niet al te veel tijd en energie in
stoppen. De resultaten zijn er dan ook misschien naar. Naar eigen waarneming
waren maar heel weinig buurtbewoners op komen zetten. Dat is aan de ene kant
jammer, maar aan de andere kant geeft dat de ontzettend dunne lijn weer die er
loopt van deze grote Rotterdamse kunstzaal naar zijn directe omgeving.
Misschien moet daar toch eens wat meer aan gedaan worden.
Over de ingekochte , uit Montreal afkomstige expositie “the
fashionworld of Jean Gaultier” overigens niets dan lof. Dan dan weer wel. Wat een ongekende
explosie van vormen en ideeën schopt deze ontwerper nu alweer decennia
achtereen de wereld in. Alles wat enigszins buitenissig is, wat raakt aan de
wereld van glitter en glamour, heeft zijn ontwerptafel gepasseerd. De opbouw
van de modellen met echte levende gezichten (zo mooi gedaan dat het me
aanvankelijk afleidde van de kledij) rondom een aantal thema’s al “urban jungle”,
“skin deep”, “metropolis” geeft je een compleet beeld van de kunde en kunsten
van Gaultier. De manier waarop hij tegenstellingen als man/vrouw,
slaaf/machthebber, ondergoed/bovenkleding tot kernthema maakt; ze omdraait en
herintepreteert, zonder ooit in herhalingen te vallen is onovertroffen. Geen
wonder dat het tussen hem en allerlei androgyne sterren als Grace Jones, David
Bowy en bovenal Madonna zo goed klikte. Jammer dat er van zijn modetekeningen
zou weinig te zien zijn; die hadden wat mij betreft nog wel wat centraler mogen
staan; onwaarschijnlijk mooi.
De tentoonstelling van de meubels van Pastoe is niet meer en
minder wat dit meubelmerk “voor iedereen” wil zijn: sober en toegepast.
Misschien had een referentie aan andere, verdergaande ontwerpers, het geheel
wat meer in een perspectief geplaatst. Al moet ik zeggen dat een presentatie
van al die kasten en stoelen waarvan ik er velen al zonder veel nadenken bij
het oud vuil heb gezet me toch wel weer aan het twijfelen hebben gebracht of ik
daar wel goed aan heb gedaan.
De prenten van Jan Montijn zijn summier en behoeven de
toelichting die er gelukkig bij staat. Alleen merkwaardig dat zijn uiterst
foute verleden bij de SS in Oost Europa helemaal wordt verzwegen. Deels zijn zijn tochten naar oorlogsgebieden
en zijn projecten voor een correctie op en boetedoening voor dat verleden. Met
die kennis kijk je dan toch anders naar deze expositie.
Allemaal dus zeer de moeite waard, maar wat jammer van die waardeloze ontvangst.
donderdag 4 april 2013
Naar een tentoonstelling alwaar ik de spectaculairste stukken blijk te hebben gemist!
In de bittere kou vandaag naar Haarlem. Allereerst naar de Sint Bavokerk, een werkelijk prachtige kerk, waarvan hier enkele beelden.
Daarna koukleumend door naar het Frans Hals museum dat dit jaar een dertigtal "Frans Halsen" naast een aantal grootheden uit die tijd als Rubens, Jordaens, Titiaan en Rembrandt zet. Thema van de tentoonstelling is "het ruwe schilderen" dat door Titiaan en Tintoretto in het midden van de 16e eeuw werd geïntroduceerd, als een soort reactie op het 'fijn'schilderen dat tot die tijd de boventoon voerde. Met de genoemde namen werd de basis gelegd voor de schildertrant die pas in de tweede helft van de 19e eeuw een grote vlucht nam en uiteindelijk in de abstracte schilderkunst van de 20ste eeuw zou eindigen. Met een uitstekende toelichting op de koptelefoon kan men de 50 tentoongestelde werken makkelijk in een uur doen (pas later begreep ik waarom dat ik er zo snel door heen was). Men krijgt een goed beeld van de genialiteit van Hals die zijn portretten vaak zonder voorschetsen, a prima vista schildert, volgens de 'nat in nat' techniek. Als je dan een keer fout zit wordt het een kliederboel, dus je moet als schilder wel heel stevig in je schoenen staan om dat te kunnen. Opvallend vond ik dat de schilderijen die Frans Hals helemaal aan het eind van zijn leven maakt, als hij al in de tachtig is, in dat opzicht het verst gaan. Handen zijn daar bijna een paar penseelstreken geworden en ook de gelaatstrekken worden bij nadere bestudering door slechts enkele 'vegen' getypeerd. Haarpartijen zijn de specialiteit van Hals, wat hij met enkele kwasttoetsen weet te bereiken is ongekend; volgens kenners weet hij daarom juist op die manier met verf de werkelijkheid bijna levensecht te benaderen. Maar bij de vergelijking van een aantal luitspelers gaat de bewondering wel erg ver, als een lachend gezicht van Hals naast een krampachtig spelende doedelzakspeler van Jordaens als "toch veel natuurlijker" wordt gekenschetst. Ik vind juist die krampachtige uitdrukking van Jordaens nog veel knapper dan die grijns van Hals. Maar ja, dat is ook maar een mening. Uiteindelijk blijk ik om de een of andere onverklaarbare reden alle grote schutterstukken gemist te hebben; daar kwam ik pas achter toen ik alweer buiten stond en het boekje nog eens raadpleegde. Ik heb nu juist de meest spectaculaire stukken van Hals gemist. Moet ik toch nog een keer terug!
Daarna door naar het Teylers Museum, het oudste museum van Nederland, vol met natuurwetenschappelijke kennis uit de vorige eeuwen waar ik als alpha alleen maar met grote verbaasde ogen naar kan kijken. De zalen met fossielen van pre historische wezens die de mensen in de 18e en 19e eeuw definitief van het scheppingsverhaal afhielpen; de instrumentenzaal die vol staat met apparaten uit vooral de 19e eeuw waarvan ik er werkelijk niet één kon thuisbrengen; in het midden een enorm apparaat waarmee voor het eerst (althans dat neem ik aan) electriciteit werd opgewekt, maar dan meteen wel schokken van 330.000 volt!! de fantastische ovalen zaal vol met mineralen en edelgesteenten (alleen de diamanten waren "im" = imitatie).Werkelijk heel fraai vond ik de nieuwe tentoonstellingszaal gepresenteerde tentoonstelling met bloemen en plantentekeningen van Pierre-Joseph Redouté; een botanicus en tekenaar die het schopte tot hoftekenaar van keizerin Josephine, echtgenote van Napoleon. Vooral zijn rozen zijn superieur. Van de tekeningen van de hoftuin van Josephine werden prachtige boeken gemaakt die allemaal werden ingekocht door het Teylersmuseum; al die kolossale en kostbare boeken staan in een vitrine op een rij opengeslagen naast elkaar; imposant. Zulke boeken werden door Napoleon als relatiegeschenk uitgedeeld. Een zending boeken kostte in 1810 600 gulden; ter vergelijking: het jaarsalaris van de directeur van Teylersmuseum was in dit tijd 1000 gulden!
Daarna koukleumend door naar het Frans Hals museum dat dit jaar een dertigtal "Frans Halsen" naast een aantal grootheden uit die tijd als Rubens, Jordaens, Titiaan en Rembrandt zet. Thema van de tentoonstelling is "het ruwe schilderen" dat door Titiaan en Tintoretto in het midden van de 16e eeuw werd geïntroduceerd, als een soort reactie op het 'fijn'schilderen dat tot die tijd de boventoon voerde. Met de genoemde namen werd de basis gelegd voor de schildertrant die pas in de tweede helft van de 19e eeuw een grote vlucht nam en uiteindelijk in de abstracte schilderkunst van de 20ste eeuw zou eindigen. Met een uitstekende toelichting op de koptelefoon kan men de 50 tentoongestelde werken makkelijk in een uur doen (pas later begreep ik waarom dat ik er zo snel door heen was). Men krijgt een goed beeld van de genialiteit van Hals die zijn portretten vaak zonder voorschetsen, a prima vista schildert, volgens de 'nat in nat' techniek. Als je dan een keer fout zit wordt het een kliederboel, dus je moet als schilder wel heel stevig in je schoenen staan om dat te kunnen. Opvallend vond ik dat de schilderijen die Frans Hals helemaal aan het eind van zijn leven maakt, als hij al in de tachtig is, in dat opzicht het verst gaan. Handen zijn daar bijna een paar penseelstreken geworden en ook de gelaatstrekken worden bij nadere bestudering door slechts enkele 'vegen' getypeerd. Haarpartijen zijn de specialiteit van Hals, wat hij met enkele kwasttoetsen weet te bereiken is ongekend; volgens kenners weet hij daarom juist op die manier met verf de werkelijkheid bijna levensecht te benaderen. Maar bij de vergelijking van een aantal luitspelers gaat de bewondering wel erg ver, als een lachend gezicht van Hals naast een krampachtig spelende doedelzakspeler van Jordaens als "toch veel natuurlijker" wordt gekenschetst. Ik vind juist die krampachtige uitdrukking van Jordaens nog veel knapper dan die grijns van Hals. Maar ja, dat is ook maar een mening. Uiteindelijk blijk ik om de een of andere onverklaarbare reden alle grote schutterstukken gemist te hebben; daar kwam ik pas achter toen ik alweer buiten stond en het boekje nog eens raadpleegde. Ik heb nu juist de meest spectaculaire stukken van Hals gemist. Moet ik toch nog een keer terug!
Daarna door naar het Teylers Museum, het oudste museum van Nederland, vol met natuurwetenschappelijke kennis uit de vorige eeuwen waar ik als alpha alleen maar met grote verbaasde ogen naar kan kijken. De zalen met fossielen van pre historische wezens die de mensen in de 18e en 19e eeuw definitief van het scheppingsverhaal afhielpen; de instrumentenzaal die vol staat met apparaten uit vooral de 19e eeuw waarvan ik er werkelijk niet één kon thuisbrengen; in het midden een enorm apparaat waarmee voor het eerst (althans dat neem ik aan) electriciteit werd opgewekt, maar dan meteen wel schokken van 330.000 volt!! de fantastische ovalen zaal vol met mineralen en edelgesteenten (alleen de diamanten waren "im" = imitatie).Werkelijk heel fraai vond ik de nieuwe tentoonstellingszaal gepresenteerde tentoonstelling met bloemen en plantentekeningen van Pierre-Joseph Redouté; een botanicus en tekenaar die het schopte tot hoftekenaar van keizerin Josephine, echtgenote van Napoleon. Vooral zijn rozen zijn superieur. Van de tekeningen van de hoftuin van Josephine werden prachtige boeken gemaakt die allemaal werden ingekocht door het Teylersmuseum; al die kolossale en kostbare boeken staan in een vitrine op een rij opengeslagen naast elkaar; imposant. Zulke boeken werden door Napoleon als relatiegeschenk uitgedeeld. Een zending boeken kostte in 1810 600 gulden; ter vergelijking: het jaarsalaris van de directeur van Teylersmuseum was in dit tijd 1000 gulden!
vrijdag 22 maart 2013
Met Wilfried naar New York in een vloek en een zucht
Vol verwachting toog ik donderdagavond 21 maart naar de avond met Wilfried de Jong en zijn begeleidingsband Ocobar over New York in het Oude Luxor. De zaal was zeer goed gevuld, de verwachtingen hoog gespannen; stevige Rotterdamse lol naar aanleiding van belevenissen in een écht grote stad. Wilfried is immers een begenadigd interviewer, schrijver en sportkenner. En muzikant bovendien. Wat teleurstellend dan om deze avond mee te maken; heel makkelijk gedrapeerd rondom drie verhalen die in New York spelen: zijn eerste ervaring als pakjesbesteller en een bezoek aan 42nd street met zijn peepshows en een fietstocht waarin hij een eend aanrijdt die als Peking Eend bij de chinees eindigt. Er was jazzmuziek beloofd maar Orinoco bracht alleen de bekende show- en popmuziek, al dan niet begeleid op bas door Wilfried. Waar bleef zijn klassieke bas? Af en toe een onduidelijk foto op een ouderwetse lichtbak met naar aanleiding daarvan nog wat zouteloze anekdotes. Na een dik uur zat het er al op. Veel nieuwe indrukken over New York had ik niet opgedaan. Laat Wilfried maar blijven interviewen en sportprogramma's presenteren. Maar niet proberen een avondvullende theatershow te brengen, dat zit er echt niet in.
woensdag 20 maart 2013
Karton en plakband winnen het wat mij betreft bij de Volkskrant Beeldende Kunstprijs
Wat een afwisselende exposities in het Stedelijk Museum Schiedam! Allereerst natuurlijk de nominaties voor de beeldende kunstprijs van de Volkskrant (zie: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/5566/Volkskrant-Beeldende-Kunst-Prijs/index.dhtml). Stuk voor stuk alle vijf sterke kandidaten. Ik vond het moeilijk kiezen. De minutieuze, fraai gestyleerde vrouwenbeelden Femmy Otten trokken de aandacht, evenals natuurlijk de krakende en piepende bewegingskunst van Zoro Feigl; ik vond die laatste iets te weinig verrassend om wat mij betreft te winnen, al bleef ik maar kijken naar de manier waarop dat loslopende machientje dat groene lint op at en weer achter zich weg kronkelde. De winnaar wat mij betreft was toch Esther de Graaf die met de meest eenvoudige materialen (reepjes karton en plakband) de aanzet tot een eindeloos universum liet zien; want eenmaal op dat pad ingeslagen is the sky the limit. Ook haar kwetsbare ijzerdraadconstructies met daaraan grote platen zilverpapier vond ik fascinerend. Zo fragiel, zo niets bijna, en toch zo aanwezig.
De grote expositie met tekeningen van Aji V.N. vond ik zeer fraai. Hoe hij de essentie van een om slaande golven met tegenwind weet weer te geven vond ik weergaloos,evenals zijn beelden van naakt lopende aanhangers van een een of andere Indiase godsdienst. Boomstructuren, bloemen, anemonen, alles wordt onder zijn hand drie-dimensionaal. Een geheel nieuwe benadering van het idee van trompe-l'oeil.
Het Stedelijk in Schiedam heeft een grote collectie van de CoBrA beweging. Die wordt weer eens in volle glorie getoond. Appel, Corneille, Lucebert, Anton Rooskens, Theo Wolvecamp, ze hangen er allemaal. Onlangs is aan Schiedam het drie dimensionale werk "Moeder en Kind" van Karel Appel geschonken, een mooie aanleiding om alles weer van stal te halen.
De grote expositie met tekeningen van Aji V.N. vond ik zeer fraai. Hoe hij de essentie van een om slaande golven met tegenwind weet weer te geven vond ik weergaloos,evenals zijn beelden van naakt lopende aanhangers van een een of andere Indiase godsdienst. Boomstructuren, bloemen, anemonen, alles wordt onder zijn hand drie-dimensionaal. Een geheel nieuwe benadering van het idee van trompe-l'oeil.
Het Stedelijk in Schiedam heeft een grote collectie van de CoBrA beweging. Die wordt weer eens in volle glorie getoond. Appel, Corneille, Lucebert, Anton Rooskens, Theo Wolvecamp, ze hangen er allemaal. Onlangs is aan Schiedam het drie dimensionale werk "Moeder en Kind" van Karel Appel geschonken, een mooie aanleiding om alles weer van stal te halen.
donderdag 14 maart 2013
Oedipus, twee stukken op een avond: Dchar en Wouterse redden het
Toneelschrijver Oscar van Woensel heeft voor deze versie van Sophokles' Oedipus twee toneelstukken aan elkaar geplakt. Hoewel, aaneengesmeed? Het eerste stuk speelt voor de pauze met Nasrdin Dchar in de hoofdrol, na de pauze volgt het tweede stuk met Jack Wouterse als de inmiddels oud en door eigen hand blind geworden Oedipus. Het enorme fysieke en psychologische verschil tussen de persoonlijkheden van Dchar en Wouterse wordt heel slim opgelost door in het tweede deel Dchar voortdurend vlak achter de gestalte van Wouterse schuil te laten gaan als een soort "tweede ik" van de hoofdpersoon. Het tweede bedrijf heeft een veel filosofischer inslag dan het eerste: Oedipus denkt na over het leven en komt tot allerlei bevindingen die voor de hedendaagse mens onverminderd actueel zijn. Wie ben ik eigenlijk. Wat heeft een mens aan 60.000 gedachten per dag? Wat heeft een individu voor invloed op een wereld waarin de dingen nu eenmaal gaan zoals ze gaan, etc.
Al dat denkwerk krijgen we dus vooral in het tweede deel voorgeschoteld en doet na het uitbundige eerste deel, nogal een beroep op de concentratie van de toeschouwer. Wat niet helpt is dat de toeschouwer vanaf de bühne wordt uitgenodigd om me te doen aan een experiment: "sluit je ogen en bekijk je binnenste". ik doe mijn ogen pas weer open als het stuk al lang weer verder is.
Maar alle gekheid op een stokje; Liza van Zandwijk en haar ploeg zet een knappe versie van het bekende stuk neer. Nasrin Dchar speelt met overtuiging een aanvankelijk zelfingenomen, maar later steeds wanhopiger wordende Oedipus, als hij de vreselijke waarheid gewaar wordt; het orakel van Delphi had gelijk: hij heeft én zijn vader vermoord én is met zijn moeder getrouwd en heeft daar kinderen bij verwekt. Vooral de door Van Zandwijk geïntroduceerde randfiguren maken het eerste deel licht, soms komisch, soms lekker vunzig (de paringsscene van de geheel naakte ouders van Oedipus speelt zich af achter een zedig omhoog gehouden oude regenjas door een van de bijspelers). Jack Wouterse brengt inhet tweede deel de diepe filosofieën van Sophokles als alledaagse, herkenbare beslommeringen en houdt de zaak daarmee toegankelijk en verteerbaar. Een aanrader.
Al dat denkwerk krijgen we dus vooral in het tweede deel voorgeschoteld en doet na het uitbundige eerste deel, nogal een beroep op de concentratie van de toeschouwer. Wat niet helpt is dat de toeschouwer vanaf de bühne wordt uitgenodigd om me te doen aan een experiment: "sluit je ogen en bekijk je binnenste". ik doe mijn ogen pas weer open als het stuk al lang weer verder is.
Maar alle gekheid op een stokje; Liza van Zandwijk en haar ploeg zet een knappe versie van het bekende stuk neer. Nasrin Dchar speelt met overtuiging een aanvankelijk zelfingenomen, maar later steeds wanhopiger wordende Oedipus, als hij de vreselijke waarheid gewaar wordt; het orakel van Delphi had gelijk: hij heeft én zijn vader vermoord én is met zijn moeder getrouwd en heeft daar kinderen bij verwekt. Vooral de door Van Zandwijk geïntroduceerde randfiguren maken het eerste deel licht, soms komisch, soms lekker vunzig (de paringsscene van de geheel naakte ouders van Oedipus speelt zich af achter een zedig omhoog gehouden oude regenjas door een van de bijspelers). Jack Wouterse brengt inhet tweede deel de diepe filosofieën van Sophokles als alledaagse, herkenbare beslommeringen en houdt de zaak daarmee toegankelijk en verteerbaar. Een aanrader.
woensdag 13 maart 2013
Tent plaatst de maatschappij wel erg centraal; Witte de With doet dat subtieler
Als er nog onduidelijkheid mocht bestaan over de dominante stroming in de hedendaagse beeldende kunst, dan is die twijfel na een bezoek aan de overzichtstentoonstelling "Asymmetrie" van het kunstenaarsduo Libia Castro en Olafur Olafsson definitief weg. Die kunst is maatschappelijk betrokken, sterker nog, die kunst kiest zeer nadrukkelijk partij en draagt daarbij concrete voorstellen aan. Maar of dat laatste hetgeen is waarop de wereld zit te wachten mag worden betwijfeld. Het duo draagt een voorstel voor een nieuwe grondwet van IJsland aan. Nu is daar momenteel heel wat discussie over de manier waarop burgers rechtstreekser invloed kunnen uitoefenen in het parlement anders dan via politieke partijen, dus helemaal ongepast is deze bijdrage in dat lanA niet. De partiële declaratie over de onrechten van de mensen (als tegenhanger van de universele verklaring van de rechten van de mens) is eerder te beschouwen als een cynisch voorbeeld van maatschappelijke a-symmetrie. We kunnen wel net doen of we met zijn allen streven naar gelijkheid (=symmetrie) maar de werkelijkheid van alledag is anders. Daar worden dan vervolgens, meestal op film, allerlei voorbeelden van getoond (armoede in een stad in Italië, de bijdrage van Oekraïense vrouwen aan de maatschappelijke zorg in Italië, het lot van ontheemden, de lobbycircuits in Brussel). Het is allemaal erg voor de hand liggend en brengt mij niet op nieuwe ideeën of opvattingen.
Het gegoochel met de ondertitel van deze tentoonstelling: "The right to right", als groot neonplastiek opgehangen op allerlei plaatsen in de wereld en dus ook in deze zaal, vind ik wat ongelukkig. Natuurlijk gaat het over het recht op recht; maar een wat slordige lezer kan er ook een pleidooi voor een rechtse politiek in zien; en dat is toch wel het laatste wat Castro en Olafsson willen.
Al met al vind ik dat in deze tentoonstelling de politieke boodschap de kunstzinnige aanpak is gaan overheersen; ook al wordt de nieuwe grondwet van IJsland regel voor regel door een oratoriumkoor gezongen; wat ook al gebeurt bij het verhaal van de Oekraïense vrouwen. En het betoog over de lobbyisten wordt opgedreund op een reggae ritme.
Op de verdiepingen daarboven presenteert Witte de With de fotoverzameling van de Italiaanse kunstenaar Paoli Pivi met honderden afbeeldingen van door geboorte bepaalde heilige Tibetaanse mannen, de Tulkus. Er zijn er momenteel meer dan 2000, zo wordt medegedeeld. Daaronder treft men meerdere afbeeldingen van de 13e en 14e dalai lama en van vele, vele andere gereïncarneerde heilige mannen. Naast de mogelijkheid van plotseling opkomende spiritualiteit te midden van zo veel heilige blikken die allemaal op de toeschouwer gericht zijn, kan deze presentatie ook uitgelegd worden als een manifestatie van de vitaliteit van het boedhisme en de Tibetaanse maatschappij, hoezeer China ook probeert die te doven. Dát is een politieke stellingname die ik indirecter, maar daarom ook indringender vind.
Het gegoochel met de ondertitel van deze tentoonstelling: "The right to right", als groot neonplastiek opgehangen op allerlei plaatsen in de wereld en dus ook in deze zaal, vind ik wat ongelukkig. Natuurlijk gaat het over het recht op recht; maar een wat slordige lezer kan er ook een pleidooi voor een rechtse politiek in zien; en dat is toch wel het laatste wat Castro en Olafsson willen.
Al met al vind ik dat in deze tentoonstelling de politieke boodschap de kunstzinnige aanpak is gaan overheersen; ook al wordt de nieuwe grondwet van IJsland regel voor regel door een oratoriumkoor gezongen; wat ook al gebeurt bij het verhaal van de Oekraïense vrouwen. En het betoog over de lobbyisten wordt opgedreund op een reggae ritme.
Op de verdiepingen daarboven presenteert Witte de With de fotoverzameling van de Italiaanse kunstenaar Paoli Pivi met honderden afbeeldingen van door geboorte bepaalde heilige Tibetaanse mannen, de Tulkus. Er zijn er momenteel meer dan 2000, zo wordt medegedeeld. Daaronder treft men meerdere afbeeldingen van de 13e en 14e dalai lama en van vele, vele andere gereïncarneerde heilige mannen. Naast de mogelijkheid van plotseling opkomende spiritualiteit te midden van zo veel heilige blikken die allemaal op de toeschouwer gericht zijn, kan deze presentatie ook uitgelegd worden als een manifestatie van de vitaliteit van het boedhisme en de Tibetaanse maatschappij, hoezeer China ook probeert die te doven. Dát is een politieke stellingname die ik indirecter, maar daarom ook indringender vind.
Abonneren op:
Posts (Atom)

