Totaal aantal pageviews

maandag 1 september 2014

touwtjes tussen de billen zo ver het oog reikt

dag 14: Cascais

Nu eens een dag met niks: om een uur of twaalf afgezakt naar het strand van Cascais, dat verder weg ligt dan we dachten. De camping grenst dan wel aan een duinenrand, die blijkt echter een kilometer breed. Na de duinen gaan we door een rotsachtig plateau begroeid met de meest verschillende vetplantjes en andere soorten groen en geel. Dan weer een duinrand en dan staan we aan de rand van een rots met aan beide zijden een enorm strand waar de golven met ontzagwekkende hoogte op af rollen. Op het strand louter mooie 'dudes' met surfplanken en meisjes in de meest (of moet ik hier zeggen; minst) miniscule bikini's. Dat de Brazilianen niet alleen de taal en het Jezusbeeld van de Portugezen, maar ook de touwtjes tussen de billen hebben overgenomen wordt deze oude man hier duidelijk. Tussen al dat schone jonge volk zijn wij een beetje heel erg oud. We laten er ons niet door mismoedigen en brengen de hele dag in de tropische zon en golven door. Aan het eind van de dag voelen onze lijven een beetje aangebrand aan. Goedgemutst trekken we het oude stadje van Cascais in dat ontzettend veel leuke restaurantjes blijkt te herbergen. Op een ervan zitten we heerlijk te wijnen en te deinen in de lauwe nacht. Wat een land!

Puddingbroodjes eten met zijn honderden

Dag 13: Lissabon II
Weer op dezelfde manier naar Lissabon. Andermaal een stralende dag, de 13e in successie. Houdt het dan nooit op. Opvallend is dat alle gazons knalgroen zijn, alle struiken en bomen staan in bloei of zijn groen; niets van aanhoudende droogte te merken. Alsof het hier om de twee dagen hard regent. Blijkbaar houdt de grond hier het vocht lang vast. Aan de andere kant horen we van verschillende kanten dat het voorjaar nat was, dus dat zal de verklaring zijn.
Met een omweg gaan we op ons doel af, het Jeronimosklooster in Bethlehem ( op zijn Portugees: Belem) in het westelijk deel van Lissabon. Die omweg is de op de hoogste verdieping van het pal daarnaast opgetrokken museum voor hedendaagse kunst. Aldaar treffen we een ultramoderne bar met een prachtig uitzicht op de Taag en het wereldberoemde monument gewijd aan alle beroemde Portugezen, gezellig bij elkaar op de boeg van een schip dat de Taag wil opvaren; voorop natuurlijk de Vader des Vaderlands: Hendrik de Zeevaarder, we beginnen hem te herkennen. Dit pompeuze, ultrarealistische monument dateert uit de tijd van dictator Salazar, die alle Portugezen wilde doordesemen met de nationale identiteit. Daar waar wij in Nederland pas een paar jaar nadenken over onze canon hamerde Salazar er die bij de Portugezen al  vijftig jaar geleden stevig in.
Dan naar een van de gebouwen die absoluut tot die Portugese Canon behoort, de met pepergeld betaalde, in Manuelstijl opgetrokken kerk en Jeronimusklooster. Er kan geen misverstand over bestaan als je binnen rondloopt, het geld klotste in de 16e eeuw tegen de Portugese klippen op. Niet voor niets is in de kerk een praalgraf opgetrokken voor Vasco Da Gama die de weg naar India ontdekte en daarmee de weg opende voor de Portugezen  en, even later de Nederlanders om al dan niet eendrachtig alle rijkdommen uit Azië naar West Europa te sluizen. Kunstenaars uit de toenmalige hele wereld (dus West Europa) trokken op naar deze plek om hun kunsten te vertonen, beeldhouwers, schilders, schrijnwerkers. Dat alles is samengebald in deze daarom toch wel prachtige omgeving. Temidden van die al die luister ontmoeten we een Australische vrouw die mij vraagt haar even te filmen terwijl ze nonchalant onze kant oploopt. Dat moet 4 keer over, omdat ik het ‘aan’ knopje van haar fototoestel niet kan vinden. Resultaat is een gezellige kout die een halve middag duurt. Over werkelijk alle onderwerpen worden meningen uitgedeeld: de recent bekend geworden vrouwenhandel van Isis in naam van de Islam, de slavenhandel van Portugezen én Middelburgers in naam van het Christendom, de Anjerrevolutie in Portugal, het verschil en de overeenkomst tussen Australië en Nieuw Zeeland en… aan het eind laat ze ons haar prachtige aquarellen zien die ze overal maakt van de plekken waar ze is geweesst. Ze blijkt half Europa al te hebben aangedaan, inclusief Amsterdam, en overal kleine tekeningetjes van te hebben gemaakt.
Daarna gaan we het verplichte nummer doen: Pasteitjes van Belem eten. In een ongelooflijk grote patisserie met wel 10 zalen zitten honderden mensen stug puddingbroodjes met harde, knapperige bodem, te eten. Wij dus ook. Afgezien van die knapperige bodem vind ik het gewoon een bescheiden versie van de veel grotere Nederlandse puddingbroodjes. Die eet ik al jaren niet meer, dus ik voel me hier enigszins belachelijk. Maar och, ze zijn best lekker.
Ons tweede, geplande bezoek aan een museum voor hedendaagse kunst gaat niet door omdat H. vandaag genoeg heeft van kunst en cultuur. Geen museumbezoek derhalve maar andermaal een rit met de hop on hop off. Die pakt onverwacht leuk uit nu we helemaal naar het oostelijke deel van Lissabon gaan alwaar we terecht komen op het Expoterrein uit 1998 met onverwacht veel mooie architectuur met als hoogtepunt een station met palmachtige, glazen overkapping van Calatrava. Spectaculair. Opvallend is dat al die gebouwen van inmiddels 16 jaar geleden er nog steeds heel eigentijds uit zien. Een Nederlandse stad( laten we zeggen Rotterdam) zou er wat voor over hebben dergelijke gebouwen in huis te hebben.
Aan het eind van de middag lopen we over een van de grote boulevards beneden naar de Taag terug en lopen daar op tegen een op straat spelende band die werkelijk prachtige blues en rock staat te spelen. We maken het hele concert mee en spraken na afloop met de nog maar 19 jarige gitarist die ik uitvoerig complimenteer met zijn kennis van de hele hard rock geschiedenis, Alvin Lee, Frank Zappa, Fleetwood Mac, James Brown, je kunt het zo gek niet bedenken of hij speelde het, en hoe!

Leuk om te merken dat de jongen er zelfs een beetje verlegen van werd.  A new guitar prince is born, he-s from Lisboa! 

zaterdag 30 augustus 2014

Who the hell is Calouste Gulbenkian?

Dag 12: Lissabon
Reizen is ook: op de meest efficiënte wijze gebruik maken van diverse vervoersmogelijkheden. Vanochtend reden we in onze huurauto vanaf de camping naar het station van Cascais. Vandaar met de boemel naar het centraal station van Lissabon en vandaar met de hop on hop off bus door de stad. Zo kun je, zonder bijna één stap te verzetten, alles te zien krijgen. Maar na een half uurtje hop ‘onnen’ kreeg ik toch de kriebel en kreeg ik H. zo ver te ‘offen’ en op zoek te gaan naar het museum voor hedendaagse kunst. Dat zat zodanig verstopt dat we een half uur rond een gigantisch verkeersknooppunt (absoluut het lelijkste knooppunt van Lissabon!) moesten zoeken voordat we het vonden. Maar toen kregen we ook een mooi museum te zien met installaties van kustenaars uit de gehele EG en veel werk uit de collectie van Calouste Gulbenkian, een van oorsprong Armeniër, die mede oprichter was van de Shell en een enorm fortuin vergaarde. Daaruit werden een aantal musea opgericht om zijn enorme kunstverzameling te herbergen; een aantal van zijn 20ste eeuwse kunstwerken van Portugezen die vooral Picasso, Brancusi, Miro, Dali en Bracques niet onverdienstelijk nadeden, hebben we in zijn museum zien hangen.
Daarna ‘onden’ we weer een bus en reden in het mooie strijklicht van de late middagzon heen en weer langs het mooiste deel van Lissabon dat langs de Taag is gelegen. Definitief afgestapt op het mooie centrale plein om daarna aan de wijn en tappas te gaan op een van de vele terrassen die in de centrale straten van Lissabon zijn opgesteld. We troffen een perfect Nederlandse sprekende Portugese ober; een lot dat hij deelt met veel landgenoten, de economische omstandigheden zijn nog steeds zo dat veel Portugezen hun heil in Noord Europa zoeken. En toch maakt Portugal op mij een uitstekende indruk. Alles staat er goed onderhouden bij, de wegen zijn perfect, de mensen wijken in kleding niet af van ons in noord Europa, de winkels liggen net zo vol met mooie spullen als bij ons. Alleen, dat zei ik gisteren al, op de prachtige wegen zie je niemand rijden. De binnenstad van Lissabon zit echter net zo verstopt als elke andere willekeurige Europese hoofdstad.

Daarna zijn we op tijd weer met de trein naar Cascais teruggegaan. Het tripje is ons zo goed bevallen dat we het morgen nog eens doen. De hop on hop off kaart geeft recht op twee ritten. Als rechtgeaarde Nederlanders laten we die tweede rit ons niet door de neus boren. Bovendien zag ik vanaf de bus in Belem een tweede, zo op het eerste gezicht nog veel mooier museum voor moderne kunst. H. en ik houden er allebei evenveel van om daar doorheen te gaan dus dat gaan we morgen dan ook doen.

We zijn verdorie terecht gekomen in het Valkenburg van Portugal!

Dag 11: Tomar – Cascais
Laat in de ochtend verlaten we de camping in Tomar waaraan we ons hart hebben verpand. H. staat wel een half uur afscheid te nemen van Esther en Remy. Om een uur of 12 gaat het dan toch richting Lissabon over prachtig aangelegde snelwegen die miljoen hebben gekost en waar bijna geen enkele Portugees op rijdt; het is er op deze vrijdag stiller dan bij ons op zondagnacht. Totaal geen vrachtverkeer en slechts af en toe een personenwagen. De Europese Gemeenschap kan in een economie geld pompen wat het wil, als de bevolking weigert de tolheffing te betalen of daar niet toe in staat is (lijkt me sterk, wij betalen voor een maandabonnement 18 eurootjes) is alles voor niets geweest!
We treffen een mooie camping onder pijnbomen in Cascais, dicht bij de meest westelijke punt van Portugal, Cabo di Roca. Het waait er stevig en wemelt er van de toeristen, net zoals wij. Dat wordt nog erger als we in Sintra aankomen, de plaats in het hoogland boven Lissabon waar de koningen zomerverblijven hadden. Sintra blijkt niets meer en minder dan het Valkenburg van Portugal. De smalle straatjes staan vol met winkeltjes en eettentjes en overal lopen vakantiegangers. Hier wil ik zo snel mogelijk weer weg. Gelukkig vinden we aan de rand een rustig café met enkele lokale hippies dat ons van dat Valkenburg-gevoel verlost. De chinees enkele straten verder is lang niet slecht, maar echt leuk gaan we het in Sintra toch niet vinden. De zich in Sintra bevindende kastelen laten we verder maar voor wat ze zijn.
De gps stuurt ons weer eens alle kanten op. We rijden heen en weer in het stikdonker langs de donkere zee, zonder onze camping te vinden. Ik moet toch eens een cursus coördinaten invoeren leren, want de in gidsen opgegeven coördinaten kloppen nooit met de plek waar we naar toe moeten. Bovendien blijft de gps de hebbelijkheid vertonen om elke plaats met een grote omweg te benaderen. Slechts als we de naam van camping invoeren (H. weet zich gelukkig de naam  “Quincho’ te herinneren), werkt het apparaat naar behoren.

Nee, dit was niet helemaal de meest geslaagde dag zullen we maar zeggen. Morgen naar Lissabon moet het beter kunnen. 

donderdag 28 augustus 2014

Manuel I levert een carnaval aan bouwstijlen

Dag 10: Tomar
Er zijn van die dagen dat alles op zijn plek valt. Dit is er zo een. We tutteren eindeloos op de sfeervolle camping, waarna we onder de stralende zon (altijd maar weer die blauwe lucht boven ons) een wandeling maken in de heerlijke schaduwen van de smalle straatjes van Tomar. Het café op het prachtige stadsplein voor het witte stadhuis schenkt de beste koffie in de wereld. Boven het stadhuis, omgeven door knalgroene pijnbomen, ligt het slot waar we vandaag naar toe gaan. Bovengekomen kopen we een zak overrijpe, zoete donkerpaarse en helgroene vijgen en van het sap druipende reuze-nectarinen. We betalen daar maar liefst 4(!) euro voor, maar de manier waarop de oude verkoopster ons flest (ze stopt gewoon van alles in een plastic zak zonder ons wat te vragen) is zo leuk dat we het prima vinden. In de schaduw genieten we van al het lekkers dat in Portugal aan de bomen groeit. En dan gaan we dus door de dikke muren van het Convent van Christus heen, we worden begroet met een zwarte stalen vlag bovenop een vierkante, roverstoren, tot zover weinig christelijks dus. Bij de entree blijkt dat gepensioneerden voor de helft van de prijs binnen mogen. H. liegt dus dit ik gepensioneerd ben maar het liegen gaat haar slecht af: ‘he’s seventy five, zegt ze tegen de man achter de kassa, die mij met de nodige argwaan gadeslaat, allicht ik oog als 35!
De strijd tegen de Moren (tegen de Islam dus) domineert de hele oude geschiedenis van Portugal. Rond het eind van de 15e eeuw loopt de grens van het door de christenen veroverde gebied ergens in het midden van Portugal; ter hoogte van Tomar. Daar bouwt de kleinzoon van de in Batalha opgebaard liggende João I, Manuel I, rondom een oude kerk een immens complex van 4 kloosters dat fungeert als uitvalsbasis van de orde van de Tempeliers, de om hun drankzucht zo bekend staande ridders die de eeuwen daarvoor de kruistochten organiseerden. Vanwege een teveel aan macht wordt de orde in de  14e eeuw overal verboden, behalve in Portugal. Als symbool van de Christuskerk in Jeruzalem bouwt Manuel I in Tomar een ronde kerk die op het gebied van pracht en praal alles zou moeten slaan. Het geld komt Portugal met bakken binnen, want Vasco di Gama is begonnen met het ontdekken en uitmelken van centraal Azië. Die pracht en praal is gelukt; de aanblik van de zeszuilige cirkel midden in de ronde kerk, waaromheen de beste schilders aan het werk werden gezet is overweldigend. Mede dankzij de Europese Gemeenschap staat 600 jaar later het geheel er nog even kleurrijk bij als toen.
Niet voor niets staat het complex op de Unesco werelderfgoedlijst. Van buiten denk je aanvankelijk met een vrij primitief middeleeuws ridderkasteel  van doen te hebben, maar als je eenmaal binnen bent val je van de ene verbazing in de andere. Allerlei bouwstijlen zijn hier tot één geheel samengebracht. Zo is er de kerk in de zogenaamde laat gothische, Manuelaanse stijl, met een wereldberoemd raam,


gekenmerkt door een lijst van in steen uitgevoerde geknoopte scheeptstouwen, bloemmotieven en nog heel veel meer; een stijl je gerust ‘kermisachtig’ kunt noemen. Pal naast die drukke bedoening bedacht een opvolger van Manuel een klooster in strakke renaissancestijl. Voeg daarbij de overal terugkomende azuleios met de van de Moren geleende geometrische vormen en je krijgt een ratjetoe aan stijlopvattingen boven op en tegen elkaar die je nergens anders aantreft. Mooi is wellicht anders, maar indrukwekkend is het wel.


Helemaal verzadigd brengen we nog wat uren door aan de rand van het zwembad op de camping totdat de vliegen ons daar weg jagen. Terug naar Tomar zoeken we de het volgens de campingeigenaren beste restaurant op. Maar dat blijkt in dit geval vooral de hoeveelheden te betreffen die wij krijgen voorgeschoteld. Van onze schotels gaat allebei de helft aan de daarop opgestapelde hoeveelheden kip en zwart varken retour.

Tussen dazen en hondendrollen

Dag 9: rondom het geometische centrum van Portugal
We bevinden ons op de camping nabij Tomar ( om precies te zijn in Oboboreiros) op enkele tientallen kilometers van het midden van Portugal. Dat willen ze hier graag weten en wordt met een kloeke vierkante toren nabij Vila Rei luister bij gezet. Onze tocht van vandaag beweegt zich daaromheen. De gps, die ons regelmatige goede diensten bewijst als we een camping of een eettentje zoeken, laat het vandaag volledig afweten. Hij houdt er regelmatige mee op, geeft tegenstrijdige aanwijzingen enzovoorts. Net een mens dus. Desondanks slagen we er in alles te vinden dat we van plan waren op deze bloedhete dag (de buitentemperatuurmeter van de auto geeft ergens 35 graden aan). Vlakbij Oboboreiros ligt een langgerekt stuwmeer met vele grillige armpjes. Overal bevinden zich strandjes. Aan een daarvan komen wij te liggen. Moddervette horzels, volgens H. “: Dazen” geheten, proberen zich aan ons te goed te doen. Een verblijf op de niet zo schone stranden, overal liggen hondendrollen (ik hoop tenminste dat het hondendrollen zijn) is daarmee niet zo aangenaam als we ons hadden voorgesteld. Gelukkig is er een grote vlonder die een eind het water in steekt; geen horzel waagt zich daar en drollen zijn er ook niet. Om het kwartier plonzen we in de plas en houden het zo draaglijk. Om ons heen zijn de oprijzende wanden langs het meer dicht groen met links en rechts een mooie roodbedakte villa. Na enkele uurtjes niksen langs de waterkant zetten we koers richting een ons door onze campingeigenaren aanbevolen hippierestaurant ergens in de bush. Het is niets te veel gezegd. Na anderhalf uur zoeken met onze gps komen we terecht op een van meest merkwaardige plekken waar we ooit geweest zijn, een restaurant met daaromheen de meest merkwaardige dieren opgetrokken uit bouwmaterialen, baggerbakjes, hoefijzers, melkblikken enz. enz.  Daartusssen door fel beschilderde bankjes, modepoppen, oude, fel beschilderde tramstellen en een jaren 50 zwembad inclusief glijbaan. Maar het mooiste moet dan nog komen: een, in een oude huis ondergebracht rariteitenmuseum met alle mogelijke instrumenten en attributen van b.v. een barbier(vroeger ook tandarts), een smid, een leerlooier, een landbouwer, veeboer, timmerman, een radioreparateur, een schrijver/journalist en schoolmeester. Als weer buiten zijn, staan we helemaal te duizelen van wat we allemaal gezien hebben.

Terug via talloze omwegen, de gps is nog steeds op hol, komen we terecht in Tomar alwaar we het plaatselijke piri piri kiprestaurant aan doen in een sfeervol straatje met terrasjes buiten. De kip is inderdaad best pittig maar toch uitstekend te pruimen. Rond een uur of tien in de nacht zoeken we de camping weer op. 

woensdag 27 augustus 2014

Hoeveel schoonheid kan een mens verdragen?

Dag 8: Coimbra – Tomar
Zowaar, een bewolkte dag; voor het eerst in onze Portugese trip oogt de hemel niet blauw maar grijs. Prima eigenlijk, we rijden over de golvende autoroute richting Lissabon naar Batalha. (heb ik al eens gezegd dat de Portugese wegen werkelijk in prima conditie  verkeren, misschien nog wel beter dan in het vaderland). Aldaar bevindt zich een bouwwerk dat elke beschrijving onmogelijk maakt. Het kost ons alleen al bijna een uur om rondom het gotische bouwwerk heen te lopen dat een aantal koningen in de periode tussen 1350 en 1450 ter ere van zichzelf hebben neergezet. Het betreft dan Koning João I en zijn nazaten, waaronder zijn zoon, Hendrik de Zeevaarder (die overigens op één tochtje naar Cadiz na nooit heeft gevaren!) en koning Duarte die het nodig vond zeven kapellen voor zichzelf neer te zetten en een jaar na voltooiing aan de pest overleed. Het mooie van deze gebouwen, die met bijna kantwerkachtige franje zijn versierd, is dat ze van binnen ontdaan zijn van alle religieuze attributen;  over blijft pure gotische bouwkunst. Hemelhoog reikt het gewelf boven de door João I opgetrokken hoge pilaren;
prachtig is de kapel waarin João innig met zijn vrouw ligt verstrengeld op hun gemeenschappelijke grafzerk, langs de rand de tombes van de vier zonen, waaronder die van Hendrik de Zeevaarder. Die ligt geheel alleen; óf geen vrouw óf niet belangrijk genoeg. Koning Duarte en zijn vrouw wilden dus een bouwwerk voor zichzelf en lieten een achtkantige bouwwerk tegen de andere kerken neerzetten; maar het geld voor een dak was op. Men heeft het daarna maar zo gelaten, zodat het echtpaar elke nacht onder de open hemel moet doorbrengen en dat nu al eeuwenlang. We lopen langs kloostergangen die in pracht niet te evenaren zijn, onbegrijpelijk hoe verfijnd de bouwheren en steenhouwers steen naar hun hand konden zetten; het lijkt of we door een in Brussels kant opgetrokken paleis rondlopen. Voeg daarbij de schitterende hedendaagse kunst die een kundige conservator in de gangen heeft laten neerzetten, hoeveel schoonheid kan een mens op een dag eigenlijk verdragen? En hoe heerlijk is het om te ervaren dat H. het net zo ervaart als ik. Het ene na het andere tafereel wordt door haar vastgelegd.

Op eens worden we naar achteren gedirigeerd en klinkt het dreigende gestamp van laarzen in de kloostergangen, Portugese militairen nemen de wacht over bij het graf van de onbekende soldaat dan zich in één van de kloostergangen bevindt. Ik vind het nog indrukwekkend ook in deze illustere omgeving. Het is duidelijk dat dit monument voor de Portugese identiteit net zo veel betekent als, laten we zeggen, de Groote kerk in Delft voor de Hollandsche.

Groter met dit alles kant het contrast niet zijn in het nabij gelegen Fatima waar alle bizarre trekjes van het katholieke geloof bij elkaar komen. Een stoet met zichzelf op hun knieën  martelende gelovigen trekt op naar het heiligdom van de aan drie herderskinderen verschenen heilige maagd.

Na afloop van deze prestatie mogen ze handenvol kaarsen in de op kosten van het Vaticaan permanent brandend gehouden ovens werpen. Bewondering bij mij dwingt de oude vrouw af die het gehele parcours op de knieën aflegt met een huilende baby op de arm, af en toe het zweet afgebet door behulpzaam familielid. Dat enkele gelovigen hun martelgang met kussentjes onder de knieën aflegt maakt de gelovige dezes minder 'amused', hier wordt zonder meer ‘vals spel’ gespeeld. Ik reed destijds mijn tocht naar Santiago de Compostela toch ook niet op een elektrieke fiets? Kom nou toch!

We rusten uit en eten een ijsje in de schaduw van Hotel Allelujah om onze tocht te vervolgen naar Tomar. Aldaar heeft H. een volgens de ANWB als charmecamping betitelde camping gespot. En ik moet toegeven, de ANWB heeft goed werk geleverd; een mooiere, om niet te zeggen, gezelliger camping, zijn we tot nu toe niet tegengekomen. Overal staan prachtige cactussen en bloeien de geraniums als heuse struiken tegen de bomen op. Naast onze tent scharrelen kippen. Een haan is er vanwege de nachtrust niet  bij omdat rekening gehouden wordt met de nachtrust van de gasten. Het restaurant beneden aan de berg, dat ons door het Nederlandse campingechtpaar is aanbevolen, zet serveert ons voor 9 euro de man een maaltijd die alles wat ons tot op heden is voorgezet met straatlengten slaat. Hier blijven we zeker een dag extra hangen.